Nieuwste blog

Annemieke schrijft blogs en columns. Ze schrijft over communicatie, coaching en creativiteit. Over wat haar bezighoudt als schrijfster en als docent/trainer/coach aan de opleiding Communicatie in Utrecht. Ook schreef ze zes jaar een maandelijkse column in het blad Schoolbestuur. Over de klantzijde van het onderwijs: haar belevenissen als ' moeder van drie kinderen.  De nieuwste blog vindt u hieronder. 

foto: Paul de Graaff

Bang voor Nico Dijkshoorn 

DWDD is niet meer. ‘Tot zover’, zei Matthijs vorige week vrijdag en hij trommelde daarbij niet meer op tafel. Ik mis het programma. Ik mis ook Nico Dijkshoorn die iedere woensdagvond zijn column daar schreef en voordroeg. De columnist met wie ik twee weken geleden eigenlijk had mogen optreden in Schiedam. Maar het ging niet door.

Ik zou meedoen met ‘Schrijvers aan de toog’, een ludiek evenement ter ere van het 100-jarig bestaan van de Schiedamse bibliotheek. In oktober had ik deze uitnodiging aangenomen met een licht gevoel van spanning. Ik, die me ternauwernood ‘schrijver’ durfde te noemen, zei stoer ‘ja, natuurlijk’op de vraag of ik wilde voordragen aan de bars in plaatselijke cafés. Het was een kans op publiciteit voor mijn roman ‘De stille oorlog van mijn vader’. En ach, tegen die tijd zou ik wel zien.

In de maanden die volgden, voelde ik mijn spanning toenemen als ik dacht aan 19 maart. Maar ik had het nog onder controle. Tot ik op een dag eind februari de ‘line-up’ van het programma onder ogen kreeg. Ik kreeg het acuut benauwd. Op de aankondiging van ‘Schrijvers aan de toog’ prijkten namen als Eva Hoeke, columniste uit het Volkskrant Magazine, Vrouwkje Tuinman en Nico Dijkshoorn. Ik googlede nog even voor de zekerheid, maar, het was echt dè Nico Dijkshoorn die iedere week bij Matthijs van Nieuwkerk in de studio zijn column voordroeg. De columnist die mij elke keer had weten te boeien en vaak had weten te ontroeren. Met zijn volumineuze stem en bombastische voordracht wist hij hoe hij met pathos zijn column tot leven moest wekken. Hij was al door een van de Schiedamse café-restaurants gereserveerd om in hun etablissement op te treden, hoorde ik uit betrouwbare bron. Niemand had nog een reservering op mij gedaan, naar mijn weten…

Ik sliep er slechter van. Wie zou er, wanneer er ook schrijvers van dit formaat hun spitsvondige stukjes zouden voordragen, in vredesnaam afkomen op ene Annemieke de Schepper. Een Schiedamse schrijfster met een debuutroman over een onbekende Zeeuwse familie in een vergeten Zeeuws-Vlaamse oorlog? Vrienden en gezinsleden spraken mij vermanend toe: ‘Doe niet zo onzeker.’ En: ‘He, het zijn gewoon mensen, hè.’ En: ‘Jij hebt gewoon je eigen stijl.’ Stuk voor stuk ware uitspraken, maar vooral geruststellend voor diegenen die er zelf niet hoefden te staan.

Ik zocht naar de wortels van mijn angst voor de concurrentie met een groepje BN’ers. Ik onderzocht het schrikbeeld dat ik daar zou staan met slechts een handjevol mensen om me heen. Slechts intimi om precies te zijn, die me bemoedigend glimlachend aan zouden kijken terwijl ik met bibberende handen mijn boek op de juiste pagina zou openslaan, en aarzelend zou beginnen met lezen. De intimi die me na afloop, vluchtig zouden zoenden en na een ‘Goed gedaan joh’ zich niet te opvallend maar wel zo rap mogelijk uit de voeten zouden maken op weg naar de volgende kroeg waar over vijf minuten, nou ja, u-weet-wel-wie, zou gaan optreden. Mij achterlatend in een leeg café met de kroegbaas, mijn buddy en mijn uitgerolde banner.

Angst dus. Angst om niet te schitteren. Angst om niet te voldoen aan de verwachtingen van anderen. Angst om te moeten constateren dat iemand uit medelijden naar jou komt luisteren in plaats van uit intrinsieke belangstelling voor jouw werk.

En toen kwam Corona. Ik hoef waarschijnlijk niets verder uit te leggen. Want u begrijpt het: het evenement waar ik een half jaar geleden met zoveel aplomb ‘ja’ op had gezegd en waar ik zo tegenop was gaan zien, ging niet door. Vanwege Corona. Afgelast zoals zoveel andere evenementen. Ik voelde niet veel, geen opluchting, geen teleurstelling, slechts een lichte gêne voor wat ik zo had opgeblazen in mijn geest.

Het leven ging door. In de dagen die volgden waren er steeds meer bezigheden die werden gecanceld. Mijn optreden aan ‘Schrijvers aan de toog’ werd een goede grap zoals die van ‘Ken je die van Sam en Moos die op vakantie gingen? Nee? Nou, ze gingen niet.’  Het verdween op de achtergrond in alle Corona-hectiek.

Tot afgelopen week, woensdag 25 maart. Op tv keek ik naar een van de laatste afleveringen van DWDD. Matthijs van Nieuwkerk was druk in gesprek met zijn tafeldame tot hij zich plots wendde tot de bijna lege tribune en het woord gaf aan Nico Dijkshoorn. Daar zat hij: mijn held, de BN’er met wie ik eigenlijk vorige week donderdag aan de toog had mogen zitten, die in mijn hoofd de belangrijkste veroorzaker was geworden van het ontbrekend publiek bij mijn voordracht. Daar zat hij. Op de vierde of vijfde rij van een lege tribune. De bevlogen columnist die elf jaar lang elke woensdag bij Matthijs zijn column voordroeg. Elf jaar lang omgeven door de energie van een enthousiast publiek en tegenover een volle tafel met geanimeerde gasten. Met elke woensdag een luid applaus als beloning. Daar zat hij nu. Niemand om hem heen. Geen enkel mens voor, naast of achter hem. Op meer dan 1,5 meter afstand van de tafel met Matthijs en zijn twee gasten.

Het overviel hem dat hij nu al de beurt kreeg. Hij zette zijn leesbril op. Verweesd en verward begon hij met voordragen. Zijn woorden weergalmden in de verder lege studio. Hij versprak zich een keer. Sloeg zijn schriftje dicht. Improviseerde. Bedankte Matthijs voor al die mooie jaren: ‘Ik vond het weergaloos’, benadrukte hij. Het bleef stil. Geen publiek dat applaudisseerde. Matthijs knikte hem toe: ‘Jij ook bedankt, Nico.’ En ging verder met zijn volgende gast.

Toen de camera wegdraaide, zag ik nog ik nog net de knieën van Nico in beeld. Zijn handen met de pen erin er wat hulpeloos en vruchteloos bovenop. Hij bleef zitten tot het bittere eind.

1 april 2020


Genderneutrale buit 

Waarom doe ik dit weer op het allerlaatste moment? Ik parkeer mijn hemelsblauwe Mini scheef in een van de parkeerhavens en ren naar de Action, visualiseer hoe ik in mijn voet tussen de deur ga zetten. Maar ik kan nog gewoon naar binnen. Een donkerharige jongen kijkt me vriendelijk aan. Als hij al denkt ‘moet dat nou vlak voor sluitingstijd?’ dan verbergt hij dat op professionele wijze. Ik steven doelgericht op het schap met schrijfmaterialen af. Geen zorgen, sein ik met mijn hele houding naar het al opruimende personeel, ‘ik weet precies wat ik zoek’.

Daár, naast de pennen en gummetjes en boven de schriften liggen ze: de opschrijfboekjes. Die moet ik hebben. Elk jaar als ik mijn keuzecursus ‘Creatief Schrijven’ start, trakteer ik de studenten op kleine boekjes waarin ze hun inspiratie kunnen noteren. Boekjes zo klein dat ze ze mee kunnen nemen in handtas, broekzak of laptoptas. En zo leuk en inspirerend dat ze ze graag op hun nachtkastje leggen. ’s Nachts slaan ze het met liefde open om hun malende, creatieve gedachtes aan het minuscule papier toe te vertrouwen. Met dank aan de juf. Stel ik me zo voor.

Vanuit die missie zoek ik naar exemplaren met een variatie aan kleuren, afmetingen en dessins: bloemetjes, gekke teksten, hologrammen met kleine hondjes en kekke kaftjes met geometrische figuren. Hoopvol gaan mijn ogen langs de planken. Ik duik met mijn gezicht dichter naar de vakken. Huh, vorig jaar lagen er veel meer verschillende. Ik wend me naar een andere plank, links, rechts. Mijn horloge wijst vijf voor zes. Paniek. De donkerharige jongen staat ineens pal achter me: ‘Mevrouw we gaan zo sluiten.’Ja, ja ik ben bijna klaar, kramplach ik in zijn richting.

Ik graai nu als een doorgedraaide dame tijdens de Doldwaze dagen in het vak. Ruk de achterste stapel boekjes naar voren en trek de onderste naar boven. De jongen achter me kucht luidruchtig. Ik negeer zijn seintje. Zoek verdwaasd verder naar variatie. Maar de realiteit dringt zich op: slechts kleine vierkante roze boekjes met bloemetjes op de voorkant, een wit ringbandje aan de rug. Ik aarzel. Ik heb deze cursus alleen meisjesstudenten. Maar roze en bloemetjes? Dat is wel extreem niet-genderneutraal.

Een hete adem in mijn nek: ‘Mevrouw, we gaan nu écht sluiten. Wilt u naar de kassa gaan.’

‘Ja, ja.’ Haastig gris ik nog wat basic-boekjes met knalkleuren uit het vak ernaast.

‘Mevrouw…..’

Ik schuifel ruggelings langs de niet-meer-zo-vriendelijke jongen, mijn buit schichtig in mijn armen geklemd als een Neanderthaler die een net geschoten buffel naar haar hol sleept. De kassière zucht demonstratief. Met neergeslagen ogen loop ik langs de jongen die de deur voor me openhoudt. De inmiddels donkere straat op.

De volgende dag. Op school. De boekjes heb ik strategisch uitgestald op tafel. De verschillende effengekleurde her en der verspreid, de bloemetjesboekjes ertussenin. Zoveel mogelijk variatie suggererend. Gespannen kijk ik naar mijn schrijfmeiden. Ik zie de handen reiken. Ze graaien. Aarzelen niet.. Binnen enkele secondes is het feit beslecht: de roze gebloemde printjes zijn op. Studente A. hangt nog met haar stoere, ongelakte nagels boven de tafel, teleurstelling trekt over haar gezicht. ‘Jammer’, zucht ze, ‘heel jammer.’ Ze beziet de overgebleven boekjes. ‘Ze zijn ‘cute’ hoor’, verontschuldigend kijkt ze me aan, ‘maar ik ben echt zo gék op roze.’


 

Mailbox en maandagochtendblues

Het was Blue Monday. En als je iets benoemt, dan voelt het ook zo. De grijze ochtendnevel die langs mijn voorraam voorbijdreef, werkte daar optimaal aan mee. Ik opende mijn laptop op zoek naar wat opbeurend nieuws. Dat was er ook niet. Tot ik mijn mailbox opende. Het woord Pumbo lachte me tegemoet.

Even voor de helderheid: Pumbo is de organisatie die mijn roman De stille oorlog van mijn vader heeft gedrukt en de verkoop vanuit het Centraal Boekhuis voor mij regelt. Elke dag stipt om 8.00 uur doet deze organisatie haar updates de deur uit. Geen bericht betekent geen verkoop. Wel bericht betekent dat er in ieder geval één exemplaar van mijn roman is verkocht via het Centraal Boekhuis.

Ik open het bericht. Mijn hart klopt wat sneller. Yes! De score is boven verwachting: niet een maar wel zeven exemplaren verkocht! Dit is gaaf. Een tinteling trekt door mijn hoofd. Het feit dat er meerdere mensen gister op het idee zijn gekomen om mijn boek te bestellen doet mijn Blue-Monday-stemming voorzichtig omslaan. Ik word gezien. Erkenning.

Het blijft een raar proces. Schrijven is naar binnen keren en focussen. Als de roman er ligt, begint het naar buiten treden. En dat gaat soms sneller dan je zelf doorhebt. Pas stelde ik me op een studiedag voor aan twee mij nog onbekende collega’s. Hun eerder wat afwezige blik veranderde bij het horen van mijn naam: ‘O, Annemieke de Schepper, ben jíj dat?’ Een andere collega grijnsde: ‘Ja, onze schrijfster, de BN’er.’ En dan doelde ze waarschijnlijk niet op de cursus ‘persberichten schrijven’ waar ik net de laatste hand aan had gelegd.

Terug naar de Pumbo-mail. Ik bekijk hem nog eens goed. Waar komen de aanvragen vandaan? Drie gaan er naar het Niblion. De bibliotheken hebben vanaf vorige week de officiële Niblion-recensie van mijn boek in hun database kunnen lezen. Het effect daarvan is merkbaar.

Dan zijn er twee exemplaren besteld door boekhandel Van Remortel uit Hulst, de bourgondische stad uit mijn Zeeuws-Vlaamse jeugd. Annemarie van Remortel verdient een absolute ereplaats in mijn blog. De dag na mijn boeklancering in Terneuzen ging ik spontaan bij haar langs, een stapeltje van mijn boeken onder mijn arm. Ze bekeek de cover, murmelde wat met haar collega achter de toonbank en zei zonder veel omhaal van woorden: ‘Ah ja, doe d’r maar vijf.’ Ze rekende cash met me af.

Ik huppelde naar buiten en wapperde met de paar tientjes in mijn handen naar mijn man die in de auto op me zat te wachten. Zo’n eerste blijk van vertrouwen doet veel met een onzeker schrijvershart. Het werd het begin van een succesvolle samenwerking. Na een week mailde Annemarie me met het dringende verzoek: ‘Kun je me nog 15 boeken sturen. Er is zeer veel vraag naar je roman.’ Als je het hebt over hoogtepunten in dit schrijfavontuur dan was dit er toch echt eentje. Annemarie levert inmiddels een gestage stroom aan klanten voor mijn boek. Ze bestelt ze nu via het CB.

Terug naar de mail. Eén exemplaar gaat naar Buitelaar Blz. boekhandel in Goirle. Wie zou er te Goirle mijn boek bij de boekhandel hebben besteld? Ik speur in gedachten mijn vrienden- en kennissenkring af. Er schiet me niet direct een naam te binnen. Is het wellicht mijn oud-onderwijzer Hennie Jansen met wie ik sinds kort weer contact heb? Die mij mijn eerste vertrouwen in mijn schrijfkunnen gaf. Of is het de boekhandelaar zelf die mijn roman een plekje gunt op zijn thematafel ’75 jaar vrijheid’? Ik check of de winkel een facebookpagina heeft. Misschien moet ik ze ‘taggen’. Ik begin zowaar een echte online-marketingbitch te worden.

Dan de laatste bestelling. Eén enkel exemplaar, vermeld onder de categorie ‘overig’. Dat intrigeert me. Wie gaat hierachter schuil? Is het een eenzame boekhandelaar zonder naam? Of een net-niet-echte-bibliotheek, die in geen enkele categorie te plaatsen is? Misschien zo eentje met een vogelhuisjesachtig kastje langs de straat met de gepersonaliseerde oproep ‘Leen mij en zet er een ander voor in de plaats’. Of een schoolmediatheek waar een vrijwillige boekenmoeder met veel moeite (‘ik ben niet zo goed met computers’) de bestelling heeft geplaatst? De categorie ‘overig’ werkt op mijn gemoed. Wie geen naam krijgt, bestaat niet. Herman van Veen zingt in mijn hoofd ‘Ik heb dat tedere gevoel…voor elke zot voor elke dwaas…die buiten ronddwaalt zonder doel…’. Ik druk de weer opkomende Blue-Monday-mood de kop in en verman mezelf. ‘Dankbaarheid’, mompel ik, ‘en erkenning.’

Welnu, beste Niblion, bibliotheken, boekhandelaar Buitelaar, Annemarie en … vooral die ene onzichtbare, niet-benoemde, lieve mevrouw of meneer ‘overig’: dank u. Dank voor de interesse. Dank voor de aankoop. ‘You made my (mon)day’ ! 🙂


Column ‘Gegriep’ uit ‘Schoolbestuur’ december 2003

Voor iedereen die zich voorneemt om met kerst lief te zijn voor zijn naasten maar bij wie dat toch even niet lukt;). Net als ik toentertijd in 2003. Mijn oudste dochter, nu 27 jaar, was toen elf. Fijne kerstdagen nog allemaal!


Column ‘Consultatiebureau’ uit ‘Schoolbestuur’ mei 2003

Bestel mijn boek

Een van mijn eerste columns in het blad ‘Schoolbestuur’.  Mijn jongste dochter Jonna is hier drie jaar oud. Zestien jaar geleden, ze is nu een sociale meid van 19, maar wat lijkt het nog dichtbij: haar eenkennigheid en de soms ongemakkelijke situaties die daardoor ontstonden. #nukanikeromlachen

 


De Slag om de Schelde in maatje 34 

Bestel direct mijn boek!

Ik ben boos. Al weken verheug ik me erop dat er een speelfilm gedraaid gaat worden over de Slag om de Schelde. En dat ik daar een figurantenrolletje in mag spelen. Wat is er mooier dan het onderwerp van mijn roman De stille oorlog van mijn vader ook aan den lijve te ervaren, al is het dan geacteerd? Terug in de tijd in het Zeeuwse land en ik erin als Zeeuws meisje.

Ik had me al ingeschreven bij MultaCasting. Ik hield de mail nauwlettend in de gaten. En ik werd lid van de besloten facebookpagina ‘Figuranten Slag om de Schelde’. Zo kon mij niets ontgaan en het kon geen kwaad om zo vroeg mogelijk een virtuele band op te bouwen met mijn collega-acteurs uit den lande.

Ik maakte best een goede kans, dacht ik zelf. Zeeuwse roots, sterke motivatie, blond, blauwe ogen, niet te groot en golvend haar dat prima in een jaren veertig kapsel gestyld kon worden. Ik zette de draaidagen alvast in mijn agenda. Ik was er klaar voor.

Tot eergisteren de mail van MultaCasting kwam. Over de gezochte figuranten. Erbij een lijstje met voorwaarden. Ik check die van de kleding en het uiterlijk van de dames.

– Maximaal 178cm lang. Check 
– Maximaal schoenmaat 41.
Check
– Half lang tot lang haar.
Check
– Geen zichtbare tattoos (hoofd, handen, nek).
Indien je een brildrager bent moet er een mogelijkheid zijn om tijdens de opnames lenzen in te doen of zonder bril te figureren. Check.

So far so good. Tot ik bij de laatste voorwaarde beland: ‘– Confectiemaat 34 t/m 38′. Ik lees het nog eens. Met mijn goede leesbril. Het staat er echt. De vrouwelijke figuranten moeten passen in maatje 34 tot en met 38. Met mijn goedgevulde zitvlak schuif ik onrustig heen en weer op mijn stoel. Van verontwaardiging schud ik mijn blozende, want -van oorsprong-Zeeuwse wangen. Het kon niet waar zijn. Met deze, tot drie beperkte, confectiematen werd mijn droom aan diggelen gegooid. Welke idioot had bedacht dat de vrouwen in deze film fotomodellen moesten zijn met kindermaatjes 34 of 36 bij een lengte van 1.78 en een schoenmaat 41? Ik klik naar de facebookgroep. Briezend type ik mijn commentaar: ‘Dat gaat hem niet worden voor mij! Maatje 34-38.”

‘Tja, het was nu eenmaal geen vetpot in die tijd’, antwoordt iemand.

Nu weet ik toevallig dat de hongerwinter nog moest komen en die was niet in Zeeland. ‘Bovendien hebben vrouwen de neiging om, ook in oorlogstijd kinderen te baren, te zogen en daardoor uit te dijen!’ Iemand lacht me toe met de duim omhoog.

Ik voel me als 56-jarige vrouw met maatje 40 (oké toegegeven sinds de overgang vaak maatje 42/44, afhankelijk van de pasvorm van de broek) ernstig gediscrimineerd. Waarom mogen er geen oudere, doorleefde vrouwenlijven in deze film?

Ik zoek naarstig naar afbeeldingen van Zeeuwse vrouwen in 1944. Kolossale dames in Axelse, Vlissingse en Goese klederdracht staren me vanaf de foto’s goedmoedig aan. Met hun gebolde rokken, gesteven schorten en kappen om hun schouders is hun confectiemaat sowieso niet in te schatten, maar ze passen zeker niet binnen de voorwaarden van MultaCasting.

Hoe realistisch wordt deze speelfilm, vraag ik mij af? Welke niet te lange, niet te dikke, niet te kort gekapte dames gaan er, tattoo-vrij en in confectiemaatjes 34 tot 38, in rond dartelen? Ik dus niet. Dat is duidelijk. Ik voldoe aan vier van de vijf voorwaarden. Alleen net niet die ideale maten.

Misschien schrijf ik me in als man. Dan voldoe ik aan alles. Maximaal confectiemaat 54, lengte 1.84, schoenmaat 46, geen zichtbare tattoos. Ik twijfel even bij de laatste voorwaarde: baard en/of snor moeten eraf mogen. Ik voel aan mijn ruwe bovenlip. Kijk in het strijklicht in de spiegel naar het dons op mijn kin. ‘MultaCasting, geen probleem! Tot snel.’

Annemieke de Schepper