Verhalen

Hier een van Annemiekes korte verhalen ‘De eeuwige vlam’. Ze won er de eerste prijs mee van het Rijnmond schrijversfestival . 

Gewonnen eerste prijs Rijnmond Schrijversfestival 1993 uit 217 inzendingen.Jury de redactie van Lemniscaat: Irma van Welzen, Monique Postma, Susanne Padberg, recensent: Jan-Hendrik Bakker

In eerdere versie tweede prijs Vlaardings Landjuweel 27 juni 1987. Jury: Theo Poelstra (stadsarchivaris), Nico Scheepmaker, Simon Vinkenoog.

_________________________________________________________________

De eeuwige vlam

Soms kom ik nog wel eens achterom. In mijn droom ga ik weer de groene poort door, loop de steeg in en stap door het openstaande tuinhekje zomaar onze tuin binnen. Ik ruik de geur van de rode klimrozen die tegen de schuur opgroeien. Ik hoor het piepen van de schommel die als in het luchtledige hangt te bengelen tussen schuur- en keukendak; ik voel weer de ‘enge’ kriebel in mijn buik als ik heel hoog ga en net over de schutting heen kan kijken, de tuin van oma Van der Zwan in. Ik loop weer als vanouds door het vliegengordijn van bontgekleurde plastic slierten de keuken in en ga met mijn rug tegen de deur van de trapkast zitten en kijk hoe mijn moeder bezig is met koken. ‘Dag meidje, heb je lekker gespeeld?’ Verbaasd kijk ik mijn moeder aan en wil haar zeggen dat ik geen meisje van tien jaar meer ben. Maar op de een of andere manier zeg ik niets en blijf daar gewoon zitten. Het duurt een eeuwigheid, maar het is heerlijk. Als ik na die droom wakker word, voel ik me heel rustig.

1e Maasboschstraat 19. Een huis is voor mij nog steeds dat huis. Een woning met een op de eerste verdieping beginnend schuin dak. In de voorgevel beneden twee ramen met ernaast de voordeur met een koperen trekbel. Opzij een dakkapel met twee slaapkamerramen. Aan de voorkant nog een slaapkamerraam en bovenop de trapgevel de leeuwenkop,  symbool van onoverwinnelijkheid.

“Twintig stappen naar voren, twee naar rechts, drie schuin naar voren. Daar!” Monica wees me de precieze plek aan waar onze schat begraven moest worden. Voordat we het zouden vergeten, schreven we de formule op en tekenden we met een kruisje de plaats aan op de door onszelf getekende landkaart. De zorgvuldig bijelkaar gezochte steentjes hadden we bij mij thuis in een plastic zakje gedaan en zorgvuldig dichtgeknoopt. We hadden een briefje bijgesloten met daarop de boodschap:

‘EIGENDOM VAN MONICA EN MARIEKE, GEBOREN 1963, BEGRAVEN 1973″

Dat die laatste opmerking niet ondubbelzinnig op onze schat sloeg, ontging ons toen. Doodgaan volgde op het leven, dat wisten we. Maar het was te ver van ons verwijderd om beangstigend te zijn. Het overkwam oude mensen in boeken. 

Met ernstige gezichten telden Monica en ik onze stappen: naar voren, naar rechts en schuin naar voren, zoals afgesproken. Plechtig als in een begrafenisstoet liepen we achter elkaar aan over het braakliggende terrein tussen ons huis en de 1e van Leyden Gaelstraat. Vrachtwagens denderden over de straatstenen richting Parallelweg en deden ons eenzame huis trillen op zijn, ongetwijfeld gescheurde, grondvesten. Bij de juiste plek aangekomen, knielden we in het zand en groeven met onze handen een kuiltje. Met een gebaar, dat reeds een groot gevoel voor drama verraadde, deponeerde Monica het zakje met inhoud in de kuil. Samen bedekten we het weer met zand, zodat aan niets te zien was dat deze plek anders was dan andere. Veel later echter, zo was onze overtuiging, zouden mensen deze steentjes en het briefje vinden en zich het hoofd breken over de betekenis van deze voorwerpen. In onze fantasie zouden de steentjes als een schat gekoesterd worden en verkocht worden aan een museum als ‘Gebruiksvoorwerpen Vlaardingse meisjes vorige eeuw’. Dat deed ons tevreden lachen. 

Zonder dat we het zelf beseften, was dit wellicht een eerste poging om ons leven eeuwigheidswaarde te geven. We hadden een daad gesteld: de begraven schat was een onuitwisbaar bewijs van ons bestaan. Een stukje van ons dat zou blijven, en hetzelfde zou blijven, hoe dan ook. Dat echter ook de dingen om ons heen konden veranderen, kwam niet in ons op. Ons wereldbeeld was dat van een tienjarige: het huis en de buurt waarin je woonde, was geen toevalligheid, maar een onwrikbaar vast gegeven waaraan je alles wat anders was toetste. Voor ons stond dan ook vast dat deze zorgvuldig begraven schat, zou blijven liggen waar hij lag: ‘Twintig stappen naar voren, twee naar rechts en drie schuin naar voren’, gemeten vanaf de laatste tegels van de steeg naast ons huis……

Het is nog geen acht uur in de ochtend. Zaterdag. Tientallen bruisende plannen ontstaan in mijn brein, waarvan er, dat weet ik tegelijkertijd, zeer weinig uitgevoerd zullen worden. Traag ga ik rechtop zitten. Ik denk aan mijn droom. Een vaag gevoel van weemoed maakt zich van me meester. Ik besluit om me direct te gaan douchen en al de voorgenomen klussen in huis te gaan verrichten. Van hard werken is nog nooit iemand doodgegaan, zegt mijn vader altijd. En hoewel ik dat betwijfel, moet ik toegeven dat het meestal een goede remedie is tegen opkomende depressies. Zittend aan mijn ontbijt, kijk ik door de glas-in-loodramen naar de daken van de popperige koophuisjes aan de overkant. Erboven hangt een bewolkte lucht waaruit elk moment een miezerregen kan vallen. Het gevoel van weemoed wordt zo sterk dat ik een besluit neem: vandaag ga ik er weer kijken.

Panisch werd ik wakker. Ging ik dood? Ik luisterde scherp maar hoorde niet veel meer. Toch had ik duidelijk een verschrikkelijke klap gehoord, met daarna het geluid alsof ons huis instortte. Mijn hart bonkte in mijn keel. In mijn kleine kamertje kon ik in het half duister niets opmerken dat anders was dan anders. Nog steeds zag ik de contouren van de dakkapel, die op me leek te vallen als ik in bed lag. Door de spleet tussen de gordijnen zag ik het dak van de buren, zwak verlicht door het schijnsel van de lantaarnpaal voor ons huis. Met mijn bruine beertje stijf onder mijn kin gedrukt, bleef ik liggen wachten. O, God iedereen is dood, het is zo stil. En ik dan? Het wachten duurde lang. Ik durfde niet te gaan zitten in bed. Ik durfde niet te roepen om mijn vader of moeder. Dus bleef ik liggen, stil en met aangespannen spieren. Door het angstige, gespitste luisteren moe geworden, dommelde ik ondanks mijn voornemen waakzaam te blijven, na een tijdje weer in. In de verte hoorde ik het geroezemoes van stemmen….

Ons huis bleek niet ingestort, het plafond van de w.c. wel. Kalkbrokken lagen verspreid in en naast de closetpot. Met mijn kinderogen keek ik verbaasd naar de ravage. Langzaam drong het tot me door dat deze puinhoop in het kille ochtendlicht, iets te maken moest hebben met de angstdroom van de afgelopen nacht. Toen ik mijn moeder, lichtelijk gespannen, bezig zag met het opruimen van de ergste rommel, slaakte ik een zucht van opluchting. En met het roepen van mijn vader dat ‘de jongens ook weleens een handje konden helpen’, voelde ik me weer geheel terug onder de levenden. Direct met de opluchting, voelde ik echter ook schaamte opkomen voor mijn kinderachtige angst. Wijselijk hield ik dit dan ook voor me.

‘Jij bent overal lekker doorheen geslapen, hè meidje’, constateerde mijn vader en in het voorbijgaan streelde hij me eventjes over mijn haar. “Maar…wat is er dan gebeurd? vroeg ik voorzichtig. Ik snapte niets van heel deze rare ochtend. ‘Een ontploffing in Pernis’, antwoordde mijn vader op een toon waaruit op te maken viel dat hij de opgelopen schade in huis erger vond dan het gebeurde aan de overkant van de Waterweg. De logica in dit antwoord was voor mij ver te zoeken. Wat was daar dan aan de overkant? En hoe kon dat zomaar ontploffen? Al wat ik wist was dat ik vroeger met mijn moeder naar het Hoofd ging om Sinterklaas aan te zien komen. En daar aan de overkant lag Pernis, dat wist ik. Tegenwoordig reden we vaak op zondagmiddag naar de Maasboulevard om te kijken naar de grote zeeschepen die langsvoeren op weg naar of terug van de haven van Rotterdam; mijn vader vond dat een machtig gezicht. Wat mij vooral interesseerde, waren de oude mannetjes die altijd op de bankjes aan de waterkant zaten, leunend op de, tussen hun zeebenen ingeplaatste, wandelstok. Nors keken ze voor zich uit over het water, richting Pernis, slechts af en toe hun hoofd afwendend om op de grond te spuwen. Maar het mooiste van alles vond ik toch die lange pijpen aan de overkant; vooral die ene grote, waar altijd vuur uit kwam. ‘Dat is de eeuwige vlam’, zei mijn moeder altijd. En op de een of andere manier gaven die woorden me een gevoel van oneindige tevredenheid. Het klonk mij in de oren als een gebed dat direct verhoord werd. Als ik daar zo zat aan de Maasboulevard, met mijn ouders in de auto, op een miezerige zondagmiddag, en mijn moeder zei dat ene zinnetje, dan was alles goed. Dat in Pernis nu alles ontploft was, zoals mijn vader had gezegd, vond ik heel triest. Maar het was een geruststellende gedachte dat de eeuwige vlam er altijd zou zijn…

Het miezert als ik de straat opga. In neem de bus naar de stad. Op het Liesveldviaduct stap ik uit en loop verder. Op de brug gekomen sta ik even stil. In gedachten sta ik hier weer met Monica te kletsen. Tot hier liepen we uit school met elkaar mee. Op dit punt moesten we afscheid nemen. Zij ging rechtdoor de Schiedamseweg op, ik rechtsaf over de Oosthavenkade. Soms sloten we een compromis en liep ik mee tot het Verploegh Chasséplein en rende dan alleen via de Binnensingel naar huis. Nu ga ik rechtsaf. Halverwege de Oosthavenkade zie ik braakliggend terrein, gereed voor de bouw van nieuwe huizen. Kinderen spelen in het zand. Ik glimlach.

Haastig loop ik verder tot de tweede brug. Ik huiver even. Toch ga ik linksaf de 1e van Leyden Gaelstraat in. Nog steeds is er het holletje naar beneden, maar dan een paaltje: verboden voor auto’s. Geen vertrouwd gedender. Opgelucht zie ik dat de Spoorstraat nog bestaat. Maar was er niet een eerste en een tweede Spoorstraat? Verward blijf ik staan. Ik kijk om me heen. Dan besef ik dat dit de plek moet zijn waar links de 1e Maasboschstraat begon. Ik zie slechts een blinde muur en een steegje.

Verdwaasd loop ik richting Spoorsingel waar de sloot nu niet meer broederlijk naast de spoordijk ligt, maar verplaatst is naar de andere kant van de straat; of is de straat verplaatst? Ik weet het niet meer. Op zoek naar een punt van herkenning dwaal ik steeds verder de nieuw opgetrokken wijk door, langs gebouwen als onneembare bastions die de tegenstelling met wat er stond lijken uit te schreeuwen. Pas op de hoogte van de Binnensingel hervind ik iets van wat is geweest: op een oud, dichtgespijkerd huis hangt een wat verweerd straatnaambordje, met erop ‘2e Maasboschstraat’. Lang staar ik ernaar en ik tuur naar rechts waar het eerste deel van de straat is verdwenen. Ik wil het beeld weer oproepen, maar zelfs dit ene punt van herkenning kan mijn verbeelding niet meer helpen. Langzaam loop ik terug. Wat ik mij herinner, is niet meer terug te vinden. Onze schat zou er nog kunnen liggen, maar is voor mij onherroepelijk verloren met het verdwijnen van de laatste tegels van de steeg naast ons huis. Ik loop er vandaan, uit mijn herinnering weg.

Als ik weer op het kruispunt bij de haven sta, ga ik over de brug linksaf. Langs de Pelmolen loop ik richting ‘t Hoofd. Het miezeren is gestopt. Op de Maasboulevard zie ik de oude mannetjes weer zitten. Ik kijk ze aan. Ze lijken niet stug meer. Ze kijken ook niet nors, zoals ik vroeger dacht te zien, maar ze staren. Ik volg de blik van de mannen: over het water naar de overkant. En dan zie ik het ook. Daar, onverwoestbaar, is hij nog steeds. Godzijdank. Flakkerend, hoog boven alles uit, voor eeuwig, de vlam.

Ik voel me opgelucht. Nu weet ik waarom ze hier zitten. Ik doe mijn sjaal nog ‘ns goed om. Het is frisjes. Lang blijf ik kijken. Dan draai ik me om en loop terug richting stad. Als ik langs het bankje loop, knik ik de mannen vriendelijk gedag. Met een blik van verstandhouding heffen ze even hun wandelstok van de grond, als groet. Daarna richten ze hun blik weer naar de overkant…

                                                                                                      -//-