Verhalen

Korte verhalen door Annemieke de Schepper

_____________________________________________________________

Moederschaamte 

(Een van de zes winnende verhalen bij de Kortverhaalwedstrijd Limnisa 2021) 

Carla drukt de spartelende lijfjes onder water. Wendt haar hoofd af. Onder haar vingers voelt ze de vochtige vachtjes. De warmte ervan doet haar huiveren. Het water is lauw, dat had ze bewust gedaan. Het zou de pasgeborenen doen denken dat ze nog in de baarmoeder dobberden – waarom het wreder maken dan het al was – maar verder was alles tegengesteld aan de uitdrijvende beweging van de geboorte. Het terugduwen. Het geweld. Het vollopen van de longetjes, niet met lucht maar met water. 

Als ze alle drie diep onder water liggen, trekt Carla haar hand terug en dekt de emmer af. Ze hoort gepiep. In een reflex slaat ze haar handen voor haar oren en direct gaat het deksel iets omhoog. Eén van de kopjes komt boven water, het natte spitse snuitje als van een muisje omhoog gericht, snakkend naar adem. Een vechtertje. Die heb je er altijd bij zitten. Ook bij de mensen. Zij is er niet zo een. Met haar 68 jaar hebben schaamte en schuld haar compleet vleugellam gemaakt.

Ze kijkt naar het spartelende katje. Wat zegt haar moeder altijd? ‘Onder water duwen en direct het deksel erop. Niet meer kijken. Na een paar minuten houdt ‘t gepiep op.’ Zij kan het weten. Wegkijken daar is haar moeder goed in inderdaad. Met een enkele vinger duwt Carla het koppie weer onder water. Een reus die een mier dooddrukt. Kokhalzend legt ze het deksel op de emmer en gaat er bovenop zitten.

Haar moeder had in haar leven al zoveel jonge katjes verzopen. Steriliseren van de kat, vond ze zonde van t geld. Ze vond het geen leuk werkje maar iemand moest het doen, zei ze altijd. ‘Die lamzak van je vader, durft het niet eens.’ Haar moeder, een Brabantse uit een groot gezin, had liefde voor de natuur maar was meedogenloos als het moest. Ook toen, met haar, had moeder het vuile werk gedaan. Haar vader had alleen gezwegen.

Zo makkelijk als moeder vroeger de katjes verzoop zo week was ze geworden toen ze ouder werd. Toen vader overleden was, liet ze de kittens ineens leven. Zelfs als het nestje wel zeven jongen telde. Ze hield ze eerst de gebruikelijke zes weken maar later mochten ze wel acht tot tien weken bij moederpoes blijven voordat ze weggegeven werden. ‘Een kind moet zolang mogelijk bij de moeder blijven, toch’, zei ze. Carla kon haar alleen maar verdwaasd aanstaren. Haarzelf hadden ze nog geen minuut gegund met haar kind. Toen ze haar moeder die zeldzame keer had durven vragen naar het waarom, perste die haar lippen tot een smalle streep en beet haar toe: ‘Zwijg erover, Carla. Zo waren die tijden toen.’

Nu zit ze in haar moeders aanleunwoning. Het deksel is hard onder haar oude billen. Ze staart naar de foto van haar twee kinderen op de schoorsteenmantel. Haar moeder was blij met haar kleinkinderen. Met die twee wel. Daar kon ze mee voor de dag komen. Over de derde hebben ze al 50 jaar gezwegen.

Het gepiep onder haar houdt aan. Waar is ze in godsnaam mee bezig? Moet ze het beestje toch niet bevrijden? Maar een enkele gedachte aan haar moeders woorden en het vuur in haar laait weer op. Stevig blijft ze het deksel dichtdrukken met haar volle gewicht.

Haar moeder moest twee daagjes weg met de katholieke vrouwenvereniging. Of Carla op het beestje wilde passen?  ‘Een hoogzwangere kat kun je toch niet alleen laten?’, zei ze zonder dat ze de ongerijmdheid van haar opmerking leek te beseffen. Carla had verbijsterd geknikt om zoveel gebrek aan empathie. Zoals zo vaak had ze geen direct weerwoord bij haar moeder. Pas toen ze in haar moeders huis de tot op het bot verwende, zwangere kat zag en zich realiseerde dat dit dier haar moeders gemankeerde zorggevoelens kennelijk wel wakker had weten te maken, voelde ze de haat opkomen. De haat die als een te lang gekooid dier, eenmaal opengebroken, niet meer te beteugelen was.

Toen de kat gejongd had, had het monster van de haat haar als vanzelf doen handelen. Ze had zich over moederpoes gebogen en gezien hoe de katjes met dichtgeplakte oogjes, stevig aan de tepels lurkten. Die wel. Ze stak haar hand uit naar het eerste katje. Poes keek verrast op alsof ze niet geloofde dat ze iets kwaads in de zin had. Carla moest hard trekken. Moederpoes gromde van pijn en direct voelde Carla haar eigen tepels schrijnen. Snel klauwde ze de andere twee kittens weg. Moederpoes kwam overeind, bolde haar rug, blies en sprong naar de kittens in Carla’s handen. Scherpe nagels klauwden in Carla’s scheenbeen. Prompt liet ze de kittens vallen. De poes greep haar jongen in het nekvel en legde ze terug in de mand en ging er beschermend omheen liggen. De ogen schuw op Carla gericht.

Ze had de kat dus toch moeten blinddoeken. Een moeder moet niet kunnen zien hoe haar kinderen van haar worden afgenomen. Carla pakte de plastic vlooienkraag die haar moeder uit voorzorg had klaargelegd. Met een resolute beweging greep ze moederpoes stevig beet en duwde de kap omgekeerd op haar kop. Het beest schudde in paniek haar kop, draaide rondjes in de mand, sloeg haar poten uit naar de kap en liep bijna haar eigen kittens omver. Carla gebruikte het moment van desoriëntatie en graaide met één beweging de drie kittens van haar weg, luid pratend om het gekrijs van poes te overstemmen. ‘Rustig, kat. Werk mee.’ Met de kittens tegen zich aan, opende ze de glazen deur naar de huiskamer en sloot hem snel weer achter zich. Nog geen seconde later zag ze hoe moederpoes blind en zwalkend met de vlooienkap op naar de deur liep, aan de drempel krabbelde, en naar de klink sprong. Blindelings achter haar jongen aan. Een echte vechter. 

Nu zit Carla verdwaasd op de emmer en kijkt door het glas in de deur naar de poes. De witte vlooienkraag zit als een gesteven nonnenkap om de zwarte kop. Ze mauwt klagelijk en loopt rusteloos rondjes. Zo rusteloos voelde zij zich ook toen ze eenmaal weer weg mocht. Met een lege buik. En lege armen. Dat gevoel is nooit meer verdwenen. Ook niet toen de twee kinderen uit haar huwelijk geboren werden.

Ze was achttien. Droeg een wijde broek en een bandje om haar voorhoofd. Haar ouders leken meegegaan met de tijd. Hadden een zitkuil en hoge cactussen in de vensterbank. Maar toen Carla kwam vertellen dat ze zwanger was en niet wist van wie, bleek de losse seksuele moraal niet tot haar ouderlijk huis doorgedrongen te zijn. ‘Je bent nog erger dan een beest’, beet moeder haar toe toen ze voorzichtig over een abortus was begonnen. ‘Zelfs een dier bijt zijn jong alleen dood als het niet levensvatbaar is.’

‘Mag ik de baby dan hier bij u krijgen?’

Moeder keek haar met een koude blik aan. ‘Weet jij niet hoe daar over gedacht wordt? Een schande is het. Een ongehuwde moeder is het uitschot van de maatschappij. Had dat maar bedacht voordat je je jezelf weggaf.’ Haar vader zweeg instemmend. Ze had geen weerwoord durven uiten.

En terwijl de Dolle Mina’s actie voerden om baas in eigen buik te worden nam moeder haar mee uit wandelen en leverde haar af bij de nonnen. ‘Het is het beste voor iedereen,’ zei ze. Ze liep niet eens mee naar binnen en zag niet hoe de meisjes met bolle buiken in kleine kamertjes lagen. En hoe in een andere goed afgeschermde kamer rijen ledikantjes stonden met identiek geklede baby’s, achter ijzeren spijltjes. Aan het voeteind een naambordje. Klaar om weggegeven te worden. Geen moeders. Alleen wit gesteven kappen en zwarte, ruisende rokken. En af en toe een goed gekleed echtpaar dat met een wit bundeltje in de armen de kloosterpoort weer verliet.

Moederpoes blijft rusteloos heen en weer lopen. Mauwt en krabbelt. Ze geeft niet op. Zij had dat wel gedaan. Na drie maanden moest ze bevallen. De nonnen hadden haar geblinddoekt zodra het persen was begonnen. Het kind zien zou de hechting maar versterken. Toen ze het kind aan zich voelde ontsnappen, spraken de zusters op luide toon zodat ze het gehuil van haar baby overstemden. Carla had geschreeuwd dat ze het wilde zien en beethouden. Maar het kind was direct van haar weggehaald. Pas toen ze stopte met schreeuwen werd de blinddoek van haar ogen gehaald en zag ze de wit gesteven kap boven haar hoofd.  ‘Goed zo meisje, rustig maar.’ Ze zweeg. Was moe en murw.

Na twee weken herstellen, kwam haar moeder haar halen. Ze vroeg niets. Ook niet of het een meisje of jongetje was. ‘Vergeet het. En zwijg. Dat is voor iedereen het beste. God vergeeft je je misstap.’  

Het was haar vijftig jaar gelukt om erover te zwijgen. Maar vergeten en vergeven was een ander verhaal. Zij was duidelijk geen God.

Ze kijkt weer naar de kat. Door het gebobbelde glas in de deur lijkt het alsof moederpoes vloeibaar wordt. Haar zwarte vacht deint en golft. Het gepiep van het vechtertje in de emmer blijft aanhouden. Ze verdraagt het amper. ‘Veel last van moedergemis. Huilt veel.’ Dat las ze in het dossier van haar zoon dat ze uiteindelijk pas dit jaar had durven opvragen. Het was alsof vijftig jaar onderdrukte tranen uit haar stroomden. Die zes woorden, door de nonnen klinisch geregistreerd, maakten haar ongekende, doodgezwegen zoon tot een kind van vlees en bloed dat urenlang achtereen tevergeefs had gehuild om zijn echte moeder. De moeder die later zorgzaam en liefdevol haar twee ‘wettelijke’ kinderen opvoedde en uit opgelegde schaamte hem nooit was komen zoeken. En ze wist vanaf dat moment dat ze hem nooit onder ogen zou kunnen komen. Nu niet meer. Aan mogelijke vergeving zit hoogstwaarschijnlijk ook een houdbaarheidsdatum.

Het gepiep onder haar is verstomd. Voorzichtig tilt ze het deksel op. Het vechtertje zakt langzaam naar beneden. Ze pakt de emmer en loopt naar het toilet. Giet alleen het water eruit. Met lege ogen kijkt ze naar de drie kittens op de bodem. Ze kan het dus ook, meedogenloos zijn, net als haar moeder. Als de schaamte of de haat maar groot genoeg zijn. Dan opent ze de deur naar de keuken. Ze pakt drie diepvriesbakjes en legt er een voor een de katjes in. De bakjes plaatst ze naast elkaar in de mand. Ze pakt drie memovelletjes en schrijft op elk een andere naam. Prikt ze met een satéprikker naast elk kitten in het kussen.

Moederpoes jankt en draait om haar benen. Even aarzelt ze maar ze bevrijdt poes van de vlooienkap. ‘Toe maar, je mag even kijken.’ Poes loopt naar de mand, snuffelt aan haar dode jongen. Mauwt klagelijk. Voordat ze haar kittens in de bek kan nemen, pakt Carla moederpoes weer weg. ‘Sorry, dit gaat niet om jou’, fluistert Carla. ‘Maar ik kan niet anders. Ik ben niet minder waard dan een kat. Misschien snapt je baasje het nu wel.’ Ze pakt moederpoes op, zet haar in de trapkast en draait de deur op slot.

In de keuken beziet ze kritisch het tafereel met de dode jongen. Zorgvuldig herschikt ze nog een keer de drie bakjes. Ze kijkt op haar horloge. Dan loopt ze door de achterdeur naar buiten. Haar moeder kan elk moment thuiskomen.

                                                                                                          –//–

‘Moederschaamte’ is een van de zes winnende verhalen van de Limnisa kortverhaalwedstrijd 2021. 

‘Jouw verhaal ‘Moederschaamte’ is een runner-up  in de LIMNISA kortverhaalwedstrijd 2021. Er waren meer dan honderdvijftig inzendingen. We ontvingen meer dan 150 prachtige verhalen over moederschap. We lazen en herlazen en eindigden met een longlist van 31 en een shortlist van 10 verhalen.  Tenslotte kozen we 6 winnende verhalen. Het was geen gemakkelijke keuze want de kwaliteit van de verhalen was uitzonderlijk hoog dit jaar en het thema lag ons na aan het hart. De winnende verhalen zijn nu te lezen op onze website.’

Jury: Mariel Hacking en Pauline Slot 

www.limnisa.com

_________________________________________________________________

De eeuwige vlam

(Eerste prijs Rijnmond schrijversfestival 1993)

Soms kom ik nog wel eens achterom. In mijn droom ga ik weer de groene poort door, loop de steeg in en stap door het openstaande tuinhekje zomaar onze tuin binnen. Ik ruik de geur van de rode klimrozen die tegen de schuur opgroeien. Ik hoor het piepen van de schommel die als in het luchtledige hangt te bengelen tussen schuur- en keukendak; ik voel weer de ‘enge’ kriebel in mijn buik als ik heel hoog ga en net over de schutting heen kan kijken, de tuin van oma Van der Zwan in. Ik loop weer als vanouds door het vliegengordijn van bontgekleurde plastic slierten de keuken in en ga met mijn rug tegen de deur van de trapkast zitten en kijk hoe mijn moeder bezig is met koken. ‘Dag meidje, heb je lekker gespeeld?’ Verbaasd kijk ik mijn moeder aan en wil haar zeggen dat ik geen meisje van tien jaar meer ben. Maar op de een of andere manier zeg ik niets en blijf daar gewoon zitten. Het duurt een eeuwigheid, maar het is heerlijk. Als ik na die droom wakker word, voel ik me heel rustig.

1e Maasboschstraat 19. Een huis is voor mij nog steeds dat huis. Een woning met een op de eerste verdieping beginnend schuin dak. In de voorgevel beneden twee ramen met ernaast de voordeur met een koperen trekbel. Opzij een dakkapel met twee slaapkamerramen. Aan de voorkant nog een slaapkamerraam en bovenop de trapgevel de leeuwenkop,  symbool van onoverwinnelijkheid.

“Twintig stappen naar voren, twee naar rechts, drie schuin naar voren. Daar!” Monica wees me de precieze plek aan waar onze schat begraven moest worden. Voordat we het zouden vergeten, schreven we de formule op en tekenden we met een kruisje de plaats aan op de door onszelf getekende landkaart. De zorgvuldig bijelkaar gezochte steentjes hadden we bij mij thuis in een plastic zakje gedaan en zorgvuldig dichtgeknoopt. We hadden een briefje bijgesloten met daarop de boodschap:

‘EIGENDOM VAN MONICA EN MARIEKE, GEBOREN 1963, BEGRAVEN 1973″

Dat die laatste opmerking niet ondubbelzinnig op onze schat sloeg, ontging ons toen. Doodgaan volgde op het leven, dat wisten we. Maar het was te ver van ons verwijderd om beangstigend te zijn. Het overkwam oude mensen in boeken. 

Met ernstige gezichten telden Monica en ik onze stappen: naar voren, naar rechts en schuin naar voren, zoals afgesproken. Plechtig als in een begrafenisstoet liepen we achter elkaar aan over het braakliggende terrein tussen ons huis en de 1e van Leyden Gaelstraat. Vrachtwagens denderden over de straatstenen richting Parallelweg en deden ons eenzame huis trillen op zijn, ongetwijfeld gescheurde, grondvesten. Bij de juiste plek aangekomen, knielden we in het zand en groeven met onze handen een kuiltje. Met een gebaar, dat reeds een groot gevoel voor drama verraadde, deponeerde Monica het zakje met inhoud in de kuil. Samen bedekten we het weer met zand, zodat aan niets te zien was dat deze plek anders was dan andere. Veel later echter, zo was onze overtuiging, zouden mensen deze steentjes en het briefje vinden en zich het hoofd breken over de betekenis van deze voorwerpen. In onze fantasie zouden de steentjes als een schat gekoesterd worden en verkocht worden aan een museum als ‘Gebruiksvoorwerpen Vlaardingse meisjes vorige eeuw’. Dat deed ons tevreden lachen. 

Zonder dat we het zelf beseften, was dit wellicht een eerste poging om ons leven eeuwigheidswaarde te geven. We hadden een daad gesteld: de begraven schat was een onuitwisbaar bewijs van ons bestaan. Een stukje van ons dat zou blijven, en hetzelfde zou blijven, hoe dan ook. Dat echter ook de dingen om ons heen konden veranderen, kwam niet in ons op. Ons wereldbeeld was dat van een tienjarige: het huis en de buurt waarin je woonde, was geen toevalligheid, maar een onwrikbaar vast gegeven waaraan je alles wat anders was toetste. Voor ons stond dan ook vast dat deze zorgvuldig begraven schat, zou blijven liggen waar hij lag: ‘Twintig stappen naar voren, twee naar rechts en drie schuin naar voren’, gemeten vanaf de laatste tegels van de steeg naast ons huis……

Het is nog geen acht uur in de ochtend. Zaterdag. Tientallen bruisende plannen ontstaan in mijn brein, waarvan er, dat weet ik tegelijkertijd, zeer weinig uitgevoerd zullen worden. Traag ga ik rechtop zitten. Ik denk aan mijn droom. Een vaag gevoel van weemoed maakt zich van me meester. Ik besluit om me direct te gaan douchen en al de voorgenomen klussen in huis te gaan verrichten. Van hard werken is nog nooit iemand doodgegaan, zegt mijn vader altijd. En hoewel ik dat betwijfel, moet ik toegeven dat het meestal een goede remedie is tegen opkomende depressies. Zittend aan mijn ontbijt, kijk ik door de glas-in-loodramen naar de daken van de popperige koophuisjes aan de overkant. Erboven hangt een bewolkte lucht waaruit elk moment een miezerregen kan vallen. Het gevoel van weemoed wordt zo sterk dat ik een besluit neem: vandaag ga ik er weer kijken.

Panisch werd ik wakker. Ging ik dood? Ik luisterde scherp maar hoorde niet veel meer. Toch had ik duidelijk een verschrikkelijke klap gehoord, met daarna het geluid alsof ons huis instortte. Mijn hart bonkte in mijn keel. In mijn kleine kamertje kon ik in het half duister niets opmerken dat anders was dan anders. Nog steeds zag ik de contouren van de dakkapel, die op me leek te vallen als ik in bed lag. Door de spleet tussen de gordijnen zag ik het dak van de buren, zwak verlicht door het schijnsel van de lantaarnpaal voor ons huis. Met mijn bruine beertje stijf onder mijn kin gedrukt, bleef ik liggen wachten. O, God iedereen is dood, het is zo stil. En ik dan? Het wachten duurde lang. Ik durfde niet te gaan zitten in bed. Ik durfde niet te roepen om mijn vader of moeder. Dus bleef ik liggen, stil en met aangespannen spieren. Door het angstige, gespitste luisteren moe geworden, dommelde ik ondanks mijn voornemen waakzaam te blijven, na een tijdje weer in. In de verte hoorde ik het geroezemoes van stemmen….

Ons huis bleek niet ingestort, het plafond van de w.c. wel. Kalkbrokken lagen verspreid in en naast de closetpot. Met mijn kinderogen keek ik verbaasd naar de ravage. Langzaam drong het tot me door dat deze puinhoop in het kille ochtendlicht, iets te maken moest hebben met de angstdroom van de afgelopen nacht. Toen ik mijn moeder, lichtelijk gespannen, bezig zag met het opruimen van de ergste rommel, slaakte ik een zucht van opluchting. En met het roepen van mijn vader dat ‘de jongens ook weleens een handje konden helpen’, voelde ik me weer geheel terug onder de levenden. Direct met de opluchting, voelde ik echter ook schaamte opkomen voor mijn kinderachtige angst. Wijselijk hield ik dit dan ook voor me.

‘Jij bent overal lekker doorheen geslapen, hè meidje’, constateerde mijn vader en in het voorbijgaan streelde hij me eventjes over mijn haar. “Maar…wat is er dan gebeurd? vroeg ik voorzichtig. Ik snapte niets van heel deze rare ochtend. ‘Een ontploffing in Pernis’, antwoordde mijn vader op een toon waaruit op te maken viel dat hij de opgelopen schade in huis erger vond dan het gebeurde aan de overkant van de Waterweg. De logica in dit antwoord was voor mij ver te zoeken. Wat was daar dan aan de overkant? En hoe kon dat zomaar ontploffen? Al wat ik wist was dat ik vroeger met mijn moeder naar het Hoofd ging om Sinterklaas aan te zien komen. En daar aan de overkant lag Pernis, dat wist ik. Tegenwoordig reden we vaak op zondagmiddag naar de Maasboulevard om te kijken naar de grote zeeschepen die langsvoeren op weg naar of terug van de haven van Rotterdam; mijn vader vond dat een machtig gezicht. Wat mij vooral interesseerde, waren de oude mannetjes die altijd op de bankjes aan de waterkant zaten, leunend op de, tussen hun zeebenen ingeplaatste, wandelstok. Nors keken ze voor zich uit over het water, richting Pernis, slechts af en toe hun hoofd afwendend om op de grond te spuwen. Maar het mooiste van alles vond ik toch die lange pijpen aan de overkant; vooral die ene grote, waar altijd vuur uit kwam. ‘Dat is de eeuwige vlam’, zei mijn moeder altijd. En op de een of andere manier gaven die woorden me een gevoel van oneindige tevredenheid. Het klonk mij in de oren als een gebed dat direct verhoord werd. Als ik daar zo zat aan de Maasboulevard, met mijn ouders in de auto, op een miezerige zondagmiddag, en mijn moeder zei dat ene zinnetje, dan was alles goed. Dat in Pernis nu alles ontploft was, zoals mijn vader had gezegd, vond ik heel triest. Maar het was een geruststellende gedachte dat de eeuwige vlam er altijd zou zijn…

Het miezert als ik de straat opga. In neem de bus naar de stad. Op het Liesveldviaduct stap ik uit en loop verder. Op de brug gekomen sta ik even stil. In gedachten sta ik hier weer met Monica te kletsen. Tot hier liepen we uit school met elkaar mee. Op dit punt moesten we afscheid nemen. Zij ging rechtdoor de Schiedamseweg op, ik rechtsaf over de Oosthavenkade. Soms sloten we een compromis en liep ik mee tot het Verploegh Chasséplein en rende dan alleen via de Binnensingel naar huis. Nu ga ik rechtsaf. Halverwege de Oosthavenkade zie ik braakliggend terrein, gereed voor de bouw van nieuwe huizen. Kinderen spelen in het zand. Ik glimlach.

Haastig loop ik verder tot de tweede brug. Ik huiver even. Toch ga ik linksaf de 1e van Leyden Gaelstraat in. Nog steeds is er het holletje naar beneden, maar dan een paaltje: verboden voor auto’s. Geen vertrouwd gedender. Opgelucht zie ik dat de Spoorstraat nog bestaat. Maar was er niet een eerste en een tweede Spoorstraat? Verward blijf ik staan. Ik kijk om me heen. Dan besef ik dat dit de plek moet zijn waar links de 1e Maasboschstraat begon. Ik zie slechts een blinde muur en een steegje.

Verdwaasd loop ik richting Spoorsingel waar de sloot nu niet meer broederlijk naast de spoordijk ligt, maar verplaatst is naar de andere kant van de straat; of is de straat verplaatst? Ik weet het niet meer. Op zoek naar een punt van herkenning dwaal ik steeds verder de nieuw opgetrokken wijk door, langs gebouwen als onneembare bastions die de tegenstelling met wat er stond lijken uit te schreeuwen. Pas op de hoogte van de Binnensingel hervind ik iets van wat is geweest: op een oud, dichtgespijkerd huis hangt een wat verweerd straatnaambordje, met erop ‘2e Maasboschstraat’. Lang staar ik ernaar en ik tuur naar rechts waar het eerste deel van de straat is verdwenen. Ik wil het beeld weer oproepen, maar zelfs dit ene punt van herkenning kan mijn verbeelding niet meer helpen. Langzaam loop ik terug. Wat ik mij herinner, is niet meer terug te vinden. Onze schat zou er nog kunnen liggen, maar is voor mij onherroepelijk verloren met het verdwijnen van de laatste tegels van de steeg naast ons huis. Ik loop er vandaan, uit mijn herinnering weg.

Als ik weer op het kruispunt bij de haven sta, ga ik over de brug linksaf. Langs de Pelmolen loop ik richting ‘t Hoofd. Het miezeren is gestopt. Op de Maasboulevard zie ik de oude mannetjes weer zitten. Ik kijk ze aan. Ze lijken niet stug meer. Ze kijken ook niet nors, zoals ik vroeger dacht te zien, maar ze staren. Ik volg de blik van de mannen: over het water naar de overkant. En dan zie ik het ook. Daar, onverwoestbaar, is hij nog steeds. Godzijdank. Flakkerend, hoog boven alles uit, voor eeuwig, de vlam.

Ik voel me opgelucht. Nu weet ik waarom ze hier zitten. Ik doe mijn sjaal nog ‘ns goed om. Het is frisjes. Lang blijf ik kijken. Dan draai ik me om en loop terug richting stad. Als ik langs het bankje loop, knik ik de mannen vriendelijk gedag. Met een blik van verstandhouding heffen ze even hun wandelstok van de grond, als groet. Daarna richten ze hun blik weer naar de overkant…

                                                                                                      -//-

Met ‘De eeuwige vlam’ won Annemieke de eerste prijs bij het Rijnmond Schrijversfestival in 1993 uit 217 inzendingen. 

Jury de redactie van Lemniscaat: Irma van Welzen, Monique Postma, Susanne Padberg, recensent: Jan-Hendrik Bakker

In eerdere versie won dit verhaal de tweede prijs bij het Vlaardings Landjuweel 27 juni 1987.

Jury: Theo Poelstra (stadsarchivaris), Nico Scheepmaker, Simon Vinkenoog.